De mens als carnivoor — wat ons lichaam ons al millennia vertelt

De mens als carnivoor — wat ons lichaam ons al millennia vertelt

Biologie liegt niet.

Introductie

Ben jij een herbivoor, omnivoor of carnivoor? Het antwoord dat je kreeg op school was omnivoor — een eter van alles. Maar als je kijkt naar de biologie, naar de bouw van ons lichaam, naar ons spijsverteringsstelsel en ons maagzuur, vertelt de wetenschap een ander verhaal. Een verhaal dat de plantaardige voedingsindustrie liever niet te luid hoort.

Onze tanden en kaken

Kijk in de spiegel en open je mond. Wat zie je?

Snijtanden aan de voorkant, ontworpen om vlees en vezelig weefsel af te bijten. Hoektanden, scherp en puntig, ontworpen om te scheuren. Kiezen die malen maar geen zijwaartse kaakbeweging maken zoals echte herbivoren dat doen.

Een koe, een paard, een schaap heeft een kaak die zijwaarts kan bewegen. Die beweging is essentieel om cellulose uit gras te malen. Hun kiezen zijn breed, plat en geschikt voor langdurig malen van plantaardig materiaal. Onze kiezen zijn smaller, onze kaakbeweging is verticaal. Ontworpen voor vlees en vet, niet voor gras en bladeren.

Onze tanden zijn geen bewijs van omnivorie. Ze zijn bewijs van een systeem dat primair gericht is op dierlijk voedsel.

Ons maagzuur, het sterkste bewijs

De zuurgraad van de maag vertelt je meer over het dieet van een diersoort dan welk ander orgaan. Carnivoren en aaseters hebben een extreem laag pH in de maag, tussen de 1 en 2. Dit zijn zuurwaarden die bacteriën en pathogenen in vlees doden, botten gedeeltelijk oplossen en eiwitten efficiënt afbreken.

De mens heeft een maagzuur met een pH van gemiddeld 1,5. Dat is vergelijkbaar met gieren en leeuwen. Niet met koeien, niet met paarden, niet met gorilla's die voornamelijk planten eten en een maag-pH van 4 tot 7 hebben.

Waarom heeft de mens zo sterk maagzuur? Omdat ons spijsverteringsstelsel evolueerde om vlees te verteren en te steriliseren. Dat maagzuur is geen toeval. Het is het resultaat van miljoenen jaren adaptatie aan een dieet dat primair bestond uit dierlijk voedsel.

Onze darm: kort, eenvoudig, efficiënt

De darm van een herbivoor is lang, complex en uitgerust met meerdere fermentatiekamers. Een koe heeft vier magen. De pens, de netmaag, de boekmaag en de lebmaag. Samen vormen ze een fermentatiefabriek die cellulose kan afbreken via microbiële fermentatie. Dit proces duurt uren. Soms dagen.

De menselijke darm is relatief kort. We hebben geen pens. Geen herkauwingssysteem. Geen actieve fermentatiekamers voor plantenvezels. We produceren nauwelijks cellulase, het enzym dat nodig is om cellulose af te breken.

Wat wij wel hebben is een darm die perfect uitgerust is voor de opname van eiwitten, vetten en vetoplosbare vitamines. Snel. Efficiënt. Zonder de fermentatieomweg die een herbivoor nodig heeft.

De koei als contrast

Een koe eet gras. Niets anders. Ze kauwt het, slikt het door, brengt het terug omhoog, kauwt het opnieuw. In de pens leven miljarden micro-organismen die gespecialiseerd zijn in het afbreken van cellulose. Die bacteriën produceren de vetzuren die de koe als energiebron gebruikt.

De koe heeft een microbioom dat fundamenteel verschilt van het onze. Haar darmstelsel is een fermentatiefabriek. Het onze is een eiwitverteringsmachine.

Wat een koe doet met een bos gras kunnen wij nooit evenaren. We kunnen het gras eten. We kunnen het niet verteren. Onze darm heeft simpelweg niet de architectuur, de enzymen of het microbioom om cellulose om te zetten in bruikbare energie.

Ons microbioom

Het menselijke microbioom is van nature ingericht op de vertering van eiwitten, vetten en een beperkte hoeveelheid fermenteerbare vezels. Carnivore en animal based eters ontwikkelen een microbioom dat rijk is aan bacteriën die gespecialiseerd zijn in eiwitfermentatie en vetmetabolisme.

Het idee dat we meer vezels nodig hebben voor een gezond microbioom is gebaseerd op onderzoek bij mensen die een westers dieet eten met veel ultrabewerkt voedsel. Mensen die volledig carnivoor eten ontwikkelen een ander maar stabiel microbioom. Minder divers in soorten maar gespecialiseerd en efficiënt voor wat ze eten.

Galzuren en vetvertering

De mens produceert krachtige galzuren specifiek voor het emulgeren en verteren van dierlijk vet. De lever maakt gal aan, slaat het op in de galblaas en geeft het gericht vrij wanneer er vet in de dunne darm aankomt. Dit systeem is getraind door regelmatig vet te consumeren. Wie consequent vet eet houdt de galstroom actief, de galblaas goed doorgespoeld en de galzuren scherp.

Wie vetarm eet doet het omgekeerde. De galblaas wordt nauwelijks aangesproken, de gal staat stil, indikt en kristalliseert. Galstenen zijn dan ook vaak niet het gevolg van te veel vet maar van te weinig. Het vetarme dieet dat decennialang werd aangeprezen als gezond creëerde precies het probleem waarvoor de operatie daarna als oplossing werd gepresenteerd.

Veel galblaasoperaties hadden voorkomen kunnen worden als men de oorzaak had aangepakt in plaats van het orgaan te verwijderen. De galblaas is geen overtollig onderdeel. Het is een precisie-instrument voor vetvertering dat simpelweg regelmatig gebruikt wil worden.

Kort weetje — galblaas verwijderd? Als de galblaas via een operatie is weggehaald neemt de lever die taak over. Gal wordt dan niet meer opgeslagen en geconcentreerd vrijgegeven maar stroomt continu in kleine hoeveelheden naar de darm. Vetvertering werkt daardoor minder efficiënt, zeker bij vette maaltijden. Op langere termijn past het lichaam zich aan. Het systeem herstelt zich, maar nooit volledig naar wat het was.

Vitamine B12 en ijzer

Vitamine B12 komt uitsluitend biologisch beschikbaar voor via dierlijk voedsel. Vlees, organen, vis, eieren en zuivel. Planten bevatten geen B12 in een vorm die het lichaam kan opnemen. IJzer uit dierlijk voedsel, heemijzer, wordt door het lichaam vele malen beter opgenomen dan het non-heemijzer uit planten. Spinazie mag dan ijzer bevatten, maar fytinezuur en oxalaten blokkeren een groot deel van de opname. Dit is geen mening. Dit is fysiologie.

Dat ons lichaam volledig afhankelijk is van dierlijk voedsel voor twee van de meest essentiële voedingsstoffen voor energie, hersenfunctie en zuurstoftransport is geen toeval. Het is een biologisch signaal over wat de beoogde voedingsbron was.

De appendix

De appendix wordt al generaties lang beschreven als een nutteloos overblijfsel van de evolutie. Maar bij herbivoren is de appendix een actieve en grote fermentatiekamer die helpt bij het afbreken van cellulose. Bij de mens is hij klein, inactief en nauwelijks betrokken bij de spijsvertering.

Dit is geen toeval. Het is een anatomisch spoor dat aangeeft dat wij nooit ontworpen waren als fermentatiedieren. Onze voorouders hadden geen grote fermentatiecapaciteit nodig, omdat ze geen gras aten.

Aminozuurprofiel: compleet vs onvolledig

Dierlijk eiwit bevat alle essentiële aminozuren in de verhoudingen die het menselijk lichaam nodig heeft voor spierherstel, hormoonproductie en celonderhoud. Het lichaam herkent het en verwerkt het direct.

Plantaardig eiwit is altijd onvolledig. Elk plantaardig voedingsmiddel mist één of meerdere essentiële aminozuren. Combineren is de gebruikelijke oplossing, maar zelfs dan blijft de biologische beschikbaarheid lager en de vertering zwaarder. Ons lichaam is afgestemd op complete eiwitbronnen. Dat zijn dierlijke eiwitbronnen.

Conclusie

De biologie van de mens wijst in één richting. Sterk maagzuur zoals carnivoren en aaseters. Een korte darm zonder fermentatiecapaciteit voor cellulose. Tanden en kaken die vlees scheuren en malen maar geen gras kunnen verwerken. Galzuren getraind op vet. Vitamine B12 en heemijzer uitsluitend beschikbaar via dierlijk voedsel. Een appendix die bij herbivoren actief is en bij ons niet. Een microbioom dat eiwitten en vetten verwerkt.

We zijn geen koeien. We zijn geen paarden. We zijn geen gorilla's. We zijn mensen, en mensen evolueerden op een dieet van dierlijk voedsel. Alles wat daarna kwam, de granen, de peulvruchten, de eindeloze lijst van plantaardige superfoods, is evolutionair gezien een experiment van de laatste oogwenk.

Ik zet mijn tanden liever in vlees dan in lege groentes. Planten die als medicijn kunnen dienen, zeker. Maar als basis van voeding? Ons lichaam was er nooit voor gebouwd.